VINCENT VINCENT VINCENT  

   
   
 
 

Briefcitaten uit de brieven van Vincent van Gogh over Princenhage, oom Cent en tante Cornelia

 
 













50













Is Oom Cent nog te Brussel stil geweest?
Brief aan Theo, Den Haag, Januari 1873

Oom Cent komt in het laatst van deze maand; ik verlang zeer van hem nog een & ander te horen.
Brief aan Theo, Den Haag, 17 Maart 1873

Vooral V.W. van Gogh, omdat er anders licht verwarring ontstaat met brieven voor oom Cent die alleen V. heet.–
Brief aan Theo, Den Haag, 5 mei 1873

Het schij van Anker, 'Un vieux Hugenot', waarvan de fot. in het bewuste pakje is, heb ik aan Oom Vt, die een paar dagen geleden hier was, verkocht. Hij kocht ook een mooi schij van Jacque, paarden voor de ploeg, in de regen.
Brief aan Theo, Parijs, 29 Juni 1875

Oom Vt is weer hier geweest, ik was nog al eens met hem samen & heb over een & ander gesproken. Ik vroeg hem of hij geen kans zag om U hier, in het huis te Parijs, te krijgen. In ’t begin wilde hij daar niets van hooren & zei ’t veel beter was gij in den Haag bleeft; ik heb echter aangedrongen, & gij kunt er op rekenen hij het nu in gedachten houdt.─
Brief aan Theo, Parijs 15 July 1875

Wanneer oom Vt in Den Haag komt zal hij waarschijnlijk wel met U praten; houdt U dan maar bedaard & laat hem maar zeggen wat hij wil; het zal U geen kwaad doen, & waarschijnlijk zult gij hem later nog wel eens noodig hebben. Gij moet niet over mij spreken als ’t niet te pas komt. Hij is geducht knap, toen ik verl. winter hier was, zei hij mij o.a. “Bovennatuurlijke dingen weet ik misschien niet, maar natuurlijke dingen weet ik allemaal.” Ik weet niet of het dezelfde woorden waren, maar ’t kwam toch daarop neer.
Brief aan Theo, Parijs 15 July 1875

k wil U ook nog wel zeggen dat één van zijne geliefde schilderijen is “Les illusions perdues” van Gleyre. Ste Beuve zei: “Il est dans la pluspart des hommes un poëte mort jeune, à qui l’homme survit.” & Musset: “Sachez qu’en nous il existe souvent, un poëte endormi, toujours jeune & vivant.” Ik geloof het eerste met Oom Vincent het geval is.─ Gij weet dus met wien gij te doen hebt, & dus opgepast. Vraag hem gerust ronduit om te maken gij naar hier of Londen komt.─
Brief aan Theo, Parijs 15 July 1875

Ziehier een woord waarvan ik weet dat Oom Vincent veel houdt:
"Jeune homme réjouis-toi dans ton jeune âge & que ton coeur te rende content aux jours de ta jeunesse, & marche comme ton coeur te mène & selon le regard de tes yeux, mais sache que pour toutes ces choses Dieu te fera venir en jugement. Ote le chagrin de ton coeur & éloigne de toi la malice, car le jeune âge & l’adolescence ne sont que vanité. Mais souviens toi de ton Créateur pendant tous les jours de ta jeunesse, avant que les jours mauvais viennent & que les ans arrivent desquels tu diras: Je n’y prends pas plaisir."

Brief aan Theo, Parijs, 16 Aug. - 1 Sep. 1875

Gij kent de ets van Rembrandt, Burgemeester Six die voor ’t venster staat te lezen. Ik weet Oom Vincent & Cor daar zeer veel van houden, & ik denk wel eens dat op hen moet geleken hebben toen zij jonger waren.
Brief aan Theo, Parijs 12 Sept. 1875

Bijna iedereen heeft gevoel voor de natuur, de een meer de ander minder, maar weinigen zijn er die voelen: God is een geest en die Hem aanbidden moeten hem aanbidden in geest en in waarheid.─ Pa is een van die weinigen, Moe ook, ik geloof Oom Vt ook.─
Brief aan Theo, Parijs 17 Sept. 1875

Oom Vincent en Tante zijn gisteren weer vertrokken. ik ben nog al eens bij hen geweest.─ Tot mijn spijt zag ik hen gisteren niet aan den trein toen zij weggingen, hierbij een briefje, geef dat aan Oom als gij Hem ziet, het is om hem te zeggen hoe het kwam wij elkaar aan ’t station niet zagen.─
Brief aan Theo, Parijs 9 Nov. 1875

Heb ik U reeds verteld ik weer in ’t pijpen rooken &c. ben vervallen. Ik heb in mijn pijp een oud trouw vriend terug gevonden en nu zullen wij wel niet meer scheiden denk ik.─ Van Oom Vincent hoorde ik dat gij ook rookt.
Brief aan Theo, Parijs 10 Dec. 1875

Tot nog toe heb ik geen antwoord op verscheidene brieven die ik schreef op advertenties. Ook Oom Vincent antwoordde mij niet.
Brief aan Theo, Parijs 2 Februari 1876

Tante Cornelie4 bezorgde mij een mooi boek ter lezing, “Kenelm Chillingly” door Bulwer. Daar is veel moois in. ’t Zijn de lotgevallen van een zoon van een rijk Engelschman die geen rust en vrede kan vinden in zijne omgeving en die in andere kringen gaat zoeken. Toch eindigt hij met in zijn eigen stand terug te keeren maar heeft geen spijt van wat hij deed.─
Brief aan Theo, Parijs 15 Maart 1876

Toen Lies met Kersmis thuis kwam hadden wij zoo’n aardige ontmoeting. Zij en Albertien kwamen in het rijtuig van oom Vincent van Breda.─ Pa, Cor en ik gingen den weg op hen te gemoet, en toen wij het rijtuig in de verte zagen liep ik vooruit. Het was in de schemering en donker in het rijtuig. Door het raam zag men den weg met de rij boomen aan weerskanten en de velden. Aan het einde van den weg de kerk donker tegen de lucht uit. Achter de kerk de groote donkere avondwolken, donker maar met zilveren randen.─
Brief aan Theo, Isleworth 26 Aug. 1876

Er is nog iets nu dat ik U moet vertellen; een paar dagen geleden kwam de Hr. Braat uit Dordt3 een bezoek brengen bij Oom Vincent en zij spraken over mij en oom vroeg aan de Hr B., of er bij hem, indien ik dit verlangde, voor mij plaats zou zijn. De Hr B. dacht hij wel plaats zou hebben en zeide dat ik maar eens moest komen om er over te spreken.
Brief aan Theo, Etten 31 December 1876

Gisteren avond was ik nog bij Oom Vincent om hem te vertellen ik dadelijk naar Dordt was geweest, het was een stormachtigen avond, gij kunt U denken hoe mooi die weg naar Prinsenhage was met de donkere wolken met hun zilveren randen. Ik ging ook nog even in de Roomsche kerk waar avonddienst was, het was een mooi gezicht, al die boeren en de boerinnen met hun zwarte kleeren en witte mutsen, en de kerk zag er zoo vriendelijk uit bij het avondlicht.
Brief aan Theo, Etten 31 December 1876

Schrijf U zeer in haast, Anna en de meisjes en Cor gingen naar Prinsenhage en Pa wilde ik maar met hen zou medegaan. Tante kwam met hen in het rijtuig terug en ik wandelde met Willem Carbentus.─
Brief aan Theo, Etten 31 December 1876

Waarde Oom,
Toen Pa onlangs hier was deelde Hij mij mede dat U gevraagd had of Theo en ik eens een dag bij U zouden kunnen komen. ... Niet weinig verlang ik er naar om U en Tante eens weder te zien en te spreken en wilde U daarom vragen of het U zou gelegen komen als Theo en ik aanst. Zondag met den eersten trein uit s’Hage gingen om tot s’middags of s’avonds bij U te blijven.
Brief aan oom Vincent, Dordrecht 8 Maart 1877

In geval U goed vindt dat Theo en ik aanst. Zondag komen, schrijf dan s.v.p. nog aan een van ons een briefkaart en geloof mij intusschen na hartelijke groete aan U en Tante
Uw liefh. neef
Vincent

Brief aan Oom Cent, Dordrecht 8 Maart 1877

Er is in onze familie die wel eene Christenfamilie is in den vollen zin van het woord, altijd, zoover men zien kan van geslachte tot geslachte iemand geweest die Evangeliedienaar was.– Waarom zou die stem ook nog niet in dit en in volgende geslachten worden gehoord.
Brief aan Theo, Dordrecht 23 maart 1877

Waarom zou niet ook nu een lid van die familie zich tot die bediening geroepen gevoelen en met eenigen grond mogen meenen hij zich mag en moet verklaren en zoeken naar de middelen om tot dat doel te geraken. Het is mijne bede en innig verlangen, dat den geest van mijn Vader en Grootvader ook op mij moge rusten, en het mij moge gegeven worden te zijn een Christen en een Christen werkman, dat mijn leven moge gelijken hoe meer hoe liever.,.
Brief aan Theo, Dordrecht 23 maart 1877

Deze week kreeg ik een brief van Oom Vincent, die schrijft, hij het niet nodig oordeelt de correspondentie verder voort te zetten, dat hij in dit geval mij niet behulpzaam kan zijn.
Brief aan Theo, Etten 15 april 1877

Hebt Gij gehoord Oom Vincent weer bronchite heeft, en het schijnt erg te zijn ook, gelukkig Oom weer in het land is, en in zijn eigen huis, en dat Pa en Moe hem dagelijks bijna eens komen bezoeken.─
Brief aan Theo, Amsterdam 28 mei 1877

Telkens als ik oom Vincent weer zie, treft mij opnieuw iets onbeschrijfelijk liefs en ik zou zeggen goeds en geestigs dat in Hem is, wat het is weet ik niet, Pa heeft het nog veel meer en Oom Jan heeft het in een anderen vorm en in Oom Cor is het ook, onder honderd menschen zal men er niet altijd één vinden die aan hen herinnert, laat ons hun beeld en hunne gedachtenis maar bewaren. Zou het dat zijn wat Fenelon in zijn Telemaque als volgt beschrijft?
"Celui auquel il s’était adressé par hasard était un étranger qui avait un air majestueux mais cependant quelque chose de triste et d’abattu, il paraissait rêveur quelque fois, à d’autre temps il avait quelque chose soit de très décidé ou d’ému et d’agité."
Brief aan Theo, Amsterdam 1 Augustus 1877

Pa schreef mij over een ongelukkig voorval gebeurd bij Oom Vincent aan huis. Gij zult er ook wel reeds van weten, n.l. dat de vrouw van Ds Richard van den trap is gevallen op een avond en in zeer zorgelijken toestand zich bevindt. En zoo hoort men dagelijks nu het een dan het ander, overal en aan alle kanten, en daarom heb ik ten minste zoo den indruk “de dagen zijn kwaad”.─ Want al treft het ons zelf niet, toch voelt men dat het ook van ons misschien niet verre is en wij als het ware in het zelfde oordeel zijn.
Brief aan Theo, Amsterdam 4 Sept. 1877

Een goeden opgewekten brief van t’huis ook, te Prinsenhage schijnt het beter te gaan gelukkig.
Brief aan Theo, Amsterdam 30 Oct. 1877

Pa moet op Oudejaar ook nog te Prinsenhage preeken daar Ds Kuylman is gevallen en zich bezeerd heeft zoodat zijn arm uit het lid is, dus is hij niet in staat de beurt op Oudejaarsavond te vervullen en heeft Pa aangeboden het voor hem te doen. Dus preekt Pa 9 maal in 10 dagen.
Brief aan Theo, Etten 30 december 1877

Ben hier Maandag avond goed en wel aangekomen en vond de familie van Oom Cor bij Oom Jan aan het kaartspelen. Toen Oom Cor hoorde dat Oom Cent reeds zoo spoedig dacht te vertrekken is Hij nog eens naar Prinsenhage geweest om Oom nog eens te zien. Hij is heden teruggekomen en heeft voldoening van zijne reis gehad, had nog gesproken met den dokter te Prinsenhage en die zeide er voor Oom Cent toch geen onmiddelijk gevaar was.
Brief aan Theo, Amsterdam 9 Januari 1878

Het is hier dezer dagen geducht koud en van morgen lag er sneeuw, ’t is maar goed Oom Cent weg is (want heden 3 uur is hij vertrokken om van avond te Parijs te zijn.─)
Brief aan Theo, Amsterdam 9-10 Januari 1878

Oom Cent was van middag hier, zal U ook naar alle gedachten spoedig eens schrijven. Het was een kort maar aardig bezoek, met Tante Cornelie blijft het maar zeer treurig.
Brief aan Theo, Etten, 5 Aug. 1878

Het is maar zeer treurig te Prinsenhage, Tante lijt veel, en allen zijn zeer bezorgd over haar.
Brief aan Theo, Etten 15 Aug. 1878

Ik weet wel dat hoe zuinig, hoe arm zelfs men leve het te Brussel duurder moet uitkomen dan b.v. te Cuesmes maar ik kan niet zonder eenige leiding er komen, en houd het daarvoor dat mits ik maar hard werk, hetgeen ik ook doe, mogelijk hetzij Oom Cent hetzij Oom Cor iets zullen doen, zoo niet tot tegemoetkoming van mij althans tot tegemoetkoming van Pa.
Brief aan Theo, Brussel 1 Nov. 1880

Maar als ik nadenk dan zeg ik toch, Zou het wel zijn dat in eene familie als de onze waar 2 heeren van Gogh zeer rijk zijn, en dat in ’t vak van kunst, C.M. en onzen oom te Prinsenhage, en waar ook gij en ik in ’t tegenwoordige geslacht ons ’t zelfde vak hoewel in verschillenden kring hebben gekozen, zou het, zeg ik, wel zijn als bij deze gegevens ik op de een of andere wijze niet, voor den tijd die noodwendig verloopen moet voor ik vast werk als teekenaar krijg, op die 100 francs per maand kon blijven rekenen.
Brief aan Theo, Brussel 2 April 1881

Wij zijn ook zamen naar Prinsenhage geweest doch Oom lag te bed & is weer niet wel.
Brief aan Theo, Etten, eind Juni 1881

Ik heb nog een teekening gemaakt in ’t Liesbosch.
Brief aan Theo, Etten 15-20 July 1881

Daareven kom ik terug van een reisje naar s’Hage, ik ben van avond alleen t’huis daar Pa en Moe nog te Prinsenhage zijn. Nu is het dus eene goede gelegenheid om U eens te vertellen van een & ander.
Brief aan Theo, Etten 26 Aug. 1881

Ik weet niet of gij ooit engelsche boeken leest. Zoo ja dan kan ik U zeer recommandeeren “Shirley” door Currer Bell, schrijfster ook van een ander boek, “Jane Eyre”. Dat is zoo mooi als de schilderijen van Millais of Boughton of Herkomer. Ik vond het te Prinsenhage6 en las het in drie dagen uit hoewel ’t een vrij volumineus boek is.
Brief aan Theo, Etten 5 Aug. 1881

En dan heb ik van Oom Cent verl. week een verfdoos gekregen die vrij goed is, zeker goed genoeg om mee te beginnen (de verf is van Paillard). En daar ben ik zeer blij mede.
Brief aan Theo, begin Oct. 1881

Mauve is naar Drenthe, heb afspraak met hem ik naar hem toe zal komen zoodra hij mij schrijft maar misschien komt hij nog eens een dag te Prinsenhage.
Brief aan Theo, Etten 12-15 Oct. 1881

Ik weet niet of ik U zeide dat mijn Oom te Prinsenhage uw schetsjes in uw brief gezien heeft en ze zeer goed vond, met genoegen zag dat zoowel in figuur als in landschap ge vorderingen maakt.

Brief aan Theo, Etten 15 Oct. 1881

Daar Pa & Moe schrijven voeg ik er een woordje bij doch hoop U binnenkort meer uitvoerig te schrijven, namelijk dan wanneer Mauve die dezer dagen te Prinsenhage & ook naar hier komt, er zal geweest zijn.
Brief an Theo, Etten 17 Oct.1881

Een der redenen waarom ik U tot heden er niet over schreef is dat de positie waarin ik mij bevond zoo vaag & ongedecideerd was dat ik die U niet kon uitleggen. Nu evenwel zijn we zoo ver dat ik er over heb gesproken ─ behalve tot haar zelve ─ tot Pa en Moe, tot Oom & Tante Stricker & tot Oom & tante te Prinsenhage. De eenige die, doch dat zeer officieus en in ’t apart,a mij gezegd heeft dat er werkelijk indien ik hard werkte & voorspoed had kans voor mij was, is iemand van wien ik ’t volstrekt niet wachtte, Oom Cent. Deze had schik in de manier waarop ik ’t nooit neen nimmer van Kee opvatte, namelijk het niet zwaar tillende maar dat ik er zoowat gekheid mee maakte, b.v.: "Geef toch geen koren op den molen van nooit neen nimmer die Kee Vos er op na houdt, ik wensch haar alles goeds toe behalve alleen dat ik hoop dat voornoemde korenmolen failliet zal gaan."
Brief aan Theo, Etten 3 Nov. 1881

Alleen heb ik aan Oom Cent de verzekering gegeven dat ik voorloopig wel wilde staken aan Oom Stricker te schrijven tot onvoorziene omstandigheden ’t noodig maken mogten. Een leeuwrik kan in de lente ’t zingen niet laten.
Brief aan Theo, Etten 3 Nov. 1881

Theo, Oom Cent heeft werkelijk sympathie voor me doch dat neemt daarom niet weg dat ik geloof hij mij meer kwaad dan goed gedaan heeft tegenover J.P.S.
Brief aan Theo, Etten, 19 november 1881

Dit althans zal den Heer J.P.S. duidelijk worden hedenavond, dat hij zich eenigermate misrekende toen hij aanvankelijk dezen zomer meende met eene ligte sentimenteele passie te doen te hebben die wel zou versterven en doodbloeden! Dat hebben er meer gedacht behalve J.P.S., dat hebben ze te Prinsenhage gedacht, vooral Tante Cornelie. En ik was ten eenemale uit de gratie, ik vrees eens en voor altijd want Tante Cornelie scheen er haar hart op gezet te hebben dat ik een van de volgende drie dingen zou doen: 1o mij “demoraliseeren”, 2o gek worden of dood gaan van desperatie, 3o “intusschen” een ander meisje zoeken. Nu had ik in geen van die drie dingen trek, voor alle drie even weinig inclinatie en ik proposeerde dus een vierde, nl. t neen nooit nimmer ontdooien”. Maar “dat vierde” stond waarschijnlijk niet in de religieuse systeemen van die WelEerw. ZeerGel. Heeren welke HEdes biechtvaders en spiritueele schaapherders zijn. Zeg Theo, zou Tante Cornelie eigentlijk niet veel beter zijn zonder spiritueele schaapherders dan met.
Brief aan Theo, Etten 23 Nov. 1881

Oom Cent heeft mij dezen zomer ook gezegd dat als ik eens een teekening had, wat kleiner dan die van dezen en meer aquarel, ik die maar eens zenden moest, dan zou hij die van me nemen. Misschien is de tijd werkelijk niet ver meer af dat ik door mijn werk wat geld in den zak zal krijgen dat ik hoog noodig heb, juist om nog serieuser de zaak te kunnen aanpakken.
Brief aan Theo, Den Haag, 13 Feb. 1882

Gij hebt zeker van ’t beroep van gehoord & dat Moe weer beter doch Oom Cent ziek is.
Brief aan Theo, Den Haag 23 Aporil 1882

Ik hoor Oom Cent is te Parijs – ik hoop dat gij met hem maar niet over de bewuste zaak hebt gesproken want gij weet hoe vreesselijk zij te Prinsenhage babbelen – weinig anders te doen hebbende. Zij beschouwen dit natuurlijk als eene “demoralisatie” of iets dergelijks nog erger. Best. als ik er maar niet naar hoef te luisteren en er niet
Brief aan Theo, Den Haag 23 Mei 1882

Maar hoe gaat het dikwijls in onze familie – er gaat een praatje, men voert het op, drijft het tot een extrême, komt tot een oordeel of besluit over iemand, soms geheel en al zonder den persoon in kwestie er in gekend te hebben of met hem gesproken, alleen afgaande op indrukken, hooren zeggens, informaties (de duivel hale ze, vooral de laatsten). Onze waarde Oom Cent heeft ook een maniertje van “informaties” nemen dat ik verre van loyaal vind.
Ik voor mij, als ik zulke dingen in huis zag, heb dikwijls genoeg tot Pa gezegd, daar zult ge geen zegen op hebben.
Brief aan Theo, Den Haag 1-2 Juni 1882

Zie, als Tersteeg b.v. kon wat hij wel wou, hij zou Sien van me verwijderen, haar terugdonderen in haar vervloekte leven van vroeger dat zij altijd verafschuwd heeft. En waarom – om Prinsenhage pleizier te doen of zich een air van verdienstelijkheid te geven als had hij mij op een misdaad! betrapt. Te Prinsenhage hebben ze niet het minste gevoel, zij vervelen zich, dus een intrigue – iemand te kunnen vervolgen of zoo – is eene welkome afleiding
Brief aan Theo, Den Haag 2 Juni 1882

De eenige persoon van wie in heel andere omstandigheden ik misschien iets had kunnen erven omdat ik zijn naamgenoot ben, Oom Cent is iemand met wien ik gedurende vele jaren bepaald in onmin geweest ben om reden van veel dingen en wel derwijze dat het in den aard der zaak ligt dat zulks niet geredresseerd kan worden op de wijs als was ik zijn protegé omdat ik zelf dat zeker niet zou willen en hij er ook natuurlijk niet in ’t minst meer aan denkt ook al hoop ik dat even als verl. jaar bij eventueele ontmoeting
Brief aan Theo, Den Haag 3 juni 1882

Zoo is hij van ’t een op ’t ander gesprongen, haalde er mijn Vader en, verbeeld U, mijn Oom van Prinsenhage!!! bij. Zou er zich mee bemoeien. Zou schrijven.
Brief aan Theo, Den Haag 18 July 1882

Zelfs toen zij mij vroegen laatst of ik niet eens zou komen heb ik dat geweigerd opdat zij toch goed zien zouden dat ik ’t hun in geen ding wil lastig maken. Alleen ik verlang ook dat zij van hun kant zich niet met mijn zaken zullen bemoeijen. Is het dat ik prijs stel op de goede gezindheid van ’thuis, Prinsenhage kan me veel minder scheelen.– Wilt en kunt ge zoo goed zijn niet te spreken over een en ander, tant mieux, wordt er daar echter over gepraat & is zulks niet te vermijden – tant pis maar qu’est ce que ça me fait.
Brief aan Theo, Den Haag 31 July 1882

Ik herinner mij wij erover gesproken hebben verleden jaar op den weg naar Prinsenhage,10 en gij toen zeidet ge Daumier mooier vondt dan Gavarni en ik toen partij trok voor Gavarni en U sprak over het boek dat ik over Gavarni gelezen had dat gij nu hebt.
Brief aan Theo, Den Haag 29 Oct. 1882

En verder dat Moe te Prinsenhage3 was en huiselijke bijzonderheden.
Brief aan Theo, Den Haag 7 Juni 1883

Ik heb eigentlijk van Oom Cent ook nog een bepaalde belofte dat hij teekeningen van me nemen zou doch ik heb hem er nooit meer over gesproken, sedert twee jaar geleden.
Brief aan Theo, Den Haag 13 Juli 1883

Waarde Oom,
Theo naar u toegaande en ik een verzoek aan u hebbende, maak ik van deze gelegenheid gebruik u 't volgende te vragen. Of u me wilt toestaan uw schilderijen eens te komen zien - ik heb in lang geen scghilderijen gezien en heb er zulk een verlangen naar dat ik over alles heenstap om u dit te vragen.
Brief aan Oom Vincent of Oom Cor, 1881-1883

Indien tot heden de steun van U onmisbaar was, voor ’t vervolg geloof ik dat eene wijziging in dezen door mij althans moet op gewerkt worden. Het ontkiemende zaad moet niet aan een bevriezenden wind bloot gesteld zijn – zoo was ’t met mij in ’t begin, als gij er niet geweest waart zoo zouden woorden van Oom Vincent, ni fait ni à faire, woorden van HGT en het er mee gepaard gaande den rug & koelen schouder toedraaien  van hen, op een critiek moment, vrees ik, me fataal zijn geweest als een al te kouden wind voor het koren dat ontkiemt. Doch als het winterkoren een wortel in de aarde heeft is het ietwat sterker en zoo goed & zoo kwaad als ’t kan pleegt het den winter door te maken, althans moet den winter door.
Brief aan Theo, Nieuw-Amsterdam 12-13 Nov. 1883

Dat neemt niet weg gij, die even knap zijt als b.v. Oom Cent, niet zult kunnen doen wat Oom Cent deed.– waarom niet – omdat er te veel Arnold & Tripps in de wereld zijn. Onverzadigbare geldwolven n.l. bij wie vergeleken gij een schaap zijt.–

Neem dit s.v.p. niet als een beleediging op broer, dat ik die vergelijking maak. beter is het te zijn een schaap dan een wolf, beter is het te zijn wie doodgeslagen wordt dan wie doodslaat – beter Abel te zijn n.l. dan Cain. En – en – ik zelf ben ook geen wolf hoop ik, of liever weet ik.
Brief aan Theo, Nuenen 6 Dec. 1883

Ik vraag van U geen bemiddeling, ik vraag van U iets meer persoonlijks, ik vraag U ronduit, hoe staan we tegenover elkaar, zijt gij ook een “van Gogh”.–
Ik beschouwde U altijd als “Theo”. In karakter wijk ik nog al af van de verschillende leden der familie en ik ben eigentlijk geen “van Gogh”. Maar als gij een personaliteit werd – een rol speeldet in de wereld als Pa of C.M. of Oom V. zelfs, goed, ik zou daar niet aan tornen, ik zou U in Uw waarde laten, ik zou zwijgen er over, doch onze wegen zouden te zeer uiteen loopen dan dat ik den band in ’t finantieele zóó als die nu is, zoude raadzaam blijven achten.
Brief aan Theo, Nuenen 8 Dec. 1883

Enfin, mits men maar zorge, zooals Oom Vincent zegt – dat men niet tot een stijve, eigengeregtige hark opgroeije – mag men zelfs zoo goed zijn als men wil.– ZEd. gaf deze wijze les aan de dochter van C.M.
Brief aan Theo, Nuenen 5-9 Maart 1884

t Waren lui, naar ik ’t zie, als b.v. Pa en grootvader, den ouden Goupil (personen enfin die er almagtig eerwaardig uitzien – diep – ernstig – doch bekijkt men ze een beetje scherp en van digt bij, hebben ze iets lugubers, dofs, flaauws zelf, dermate men er wee van wordt.– Is dit te veel gezegd???), behoudens variatie van positie zelfden geest, zelfde karakter. Is dat mis gezien van mij???
Brief aan Theo, Nuenen Maandag 22 - Zondag 28 september 1884

Ik heb tante Cornelie even gesproken, die beweerde gij zeker dezen zomer nog kwaamt, ik zal tegen dien tijd heel wat figuren geteekend hebben zoo als ik er nu mee ben begonnen.
Brief aan Theo, Nuenen 2 juni 1885

Ce que tu dis de Prinsenhage, c’est vrai que c’est encore une fois la même histoire – mais lorsqu’à la fin des fins le bonhomme n’y sera plus alors pour son petit cercle ce sera un vide et une désolation de plus.
Brief aan Theo, Arles 20 July 1888

Nu moet ik eindigen. Het overlijden van Oom is voor Moe en U een groote gebeurtenis en voor Tante vooral. De indruk op mij is erg vreemd omdat natuurlijk ik me den man voorstel uit herinneringen van zóó lang geleden reeds, van veel vroeger jaren, en het komt mij zoo erg zonderling dan voor dat iemand die men zóó van nabij heeft gekend zóó vreemd is geworden. Gij zult hierin wel kunnen treden. Het leven heeft zooveel van een droom zoo bekeken en van ’t oogenblik af dat het zich weder vereenvoudigd en die zieke man zijn groote reis onderneemt, begrijpt men ’t weer beter en zeker is het dat ik er al mee iets dergelijks van voel als gij zelf. Theo zal er ook veel van voelen, hij heeft met Oom veel meer dan ik te doen gehad.
Brief aan Willemien, 31 July 1888

Boven de piano in onze salon (we hebben er een van tante Cornelie gekregen) hangt ook een schilderij van je – een groot waar ik heel veel van houd – ’t is een landschap bij Arles.–
Brief van Jo van Gogh-Bonger aan Vincent, 8 Mei 1889

Het is groot nieuws dat Tante niet meer te Prinsenhage is maar in alle geval erg groot gelijk heeft ze Jakob en consorte maar te hebben afgeschaft, daar inderdaad die steeds de eigentlijke eigenaars hebben geschenen van t’heele gedoente – en dit de spuigaten nog al erg uitliep.– Dat zijn van die rare dingen in t’leven waar men moeielijk een touw aan vast kan maken om er de reden van zijn van te begrijpen. Enfin ik vind ze groot gelijk heeft – en toch zal ze aan Prinsenhage gehecht zijn geweest of nog zijn. En de gehechtheid aan de dingen is ons eigen en kunnen anderen ons moeielijker afnemen.
Brief aan Anna van Gogh, 10 December 1889

 
  © Vincent Vincent Vincent